|
De opkomst en ondergang van de stoomtram
in Egmond
Velen van u zullen nog weten dat Egmond aan Zee ooit
met een tramlijn verbonden was aan het spoorwegnetwerk van Nederland en
een enkeling zal wellicht zelf nog een ritje naar Alkmaar hebben
meegemaakt. Maar wat weten we nog over het jarenlang touwtrekken om deze
spoorlijn aan te leggen? En waarom is de lijn eigenlijk opgeheven? In
dit artikel proberen wij het complete verhaal rond de opkomst en
ondergang van de stoomtram in de Egmonden hier voor u te schetsen.
Aan het einde van de 19de eeuw was de situatie in Egmond aan Zee ronduit
zorgelijk en het isolement van het ‘dorp tussen de duinen’ was met geen
gedicht te romantiseren. Er heerste grote armoede en het noodlijdende
dorp was dan ook ieder jaar afhankelijk van rijks- en provinciale
subsidies. Door het isolement ontbrak het de bewoners simpelweg aan
gelegenheid om ‘enig bedrijf zodanig winstgevend te kunnen uitoefenen,
dat het ze enige welvaart zou brengen’. Wel hoorden de Egmonders
verhalen over de stoomtram. Zou dit misschien de oplossing zijn?
In 1839 was, met de opening van de verbinding Amsterdam – Haarlem, de
trein in Nederland geïntroduceerd en in rap tempo begon het
spoorwegnetwerk zich uit te breiden, veelal op particulier initiatief.
Hierdoor ontstonden een aantal, los van elkaar staande, netwerken, die
door concurrerende maatschappijen geëxploiteerd werden. In 1859 werd
echter de Spoorwegwet tot stand gebracht, die regels opstelde voor de
aanleg, het beheer en het gebruik van spoorwegen in Nederland. Na
invoering van deze wet werden geleidelijk de spoorlijnen die in
breedspoor (1945mm) waren aangelegd, omgebouwd tot normaalspoor
(1435mm), waardoor losse trajecten eindelijk op elkaar aansloten.
Al vanaf 1875 zag een zekere heer Holland, zoon van de toenmalig vorige
burgemeester, de potentie van het vissersdorp Egmond aan Zee, dat met
haar mooie stranden veel te bieden had aan badgasten en andere toeristen.
Holland werkte hard aan het opzetten van plannen om ook hier een trein
te laten rijden, maar werd steeds weer tegengewerkt door gemeente- en
polderbesturen. Ook Egmond aan Zee deed er alles aan, maar de omliggende
gemeenten wilden hun gemeentegrond niet zonder flinke financiële
vergoeding ter beschikking stellen en zo bleef de felbegeerde concessie,
een door de overheid verleende vergunning, lange tijd uit. Begin 1885
kreeg Holland eindelijk zijn concessie, maar daar zaten zoveel
bezwarende voorwaarden aan, dat het hem niet lukte het benodigde
kapitaal bijeen te krijgen. Ook moest het plan nog goedgekeurd worden
door het polderbestuur.
Op 22 juli 1885 werd er in Egmond aan den Hoef gestemd door de ‘ingelanden’,
de diverse grondeigenaren die land beschikbaar zouden moeten stellen ten
behoeve van de spoorlijn. De Schager Courant bericht enige dagen later
over een tumultueuze stemming. Op de stembiljetten moest ‘voor’ of
‘tegen’ worden aangegeven en de eerste twee biljetten die na stemming
uit de bus kwamen bevatten de tekst ‘nooit geen tram’ en ‘geen tram’. Na
aanvankelijk opzij te zijn gelegd als ongeldige stem, kwamen de twee
biljetten toch weer tevoorschijn nadat bleek dat er 51 mensen vóór en 49
tegen hadden gestemd. Toen de leden van het stembureau de twee dubieuze
stemmen uiteindelijk toch geldig verklaarden, ontaardde de avond in een
felle strijd waarbij voorstanders van de tram het niet nalieten met de
vlag te gaan zwaaien. De uitkomst bleef echter onbeslist en de
spoorwegplannen konden voorlopig weer in de ijskast.
Wel kwam er in 1890 een omnibusdienst, die passagiers via Bergen naar
Alkmaar bracht in een door paarden voortgetrokken rijtuig. Helaas werd
deze dienst al na twee jaar gestaakt en zou het weer een paar jaar duren
tot de burgemeester het initiatief nam tot de oprichting van
‘Omnibusdienst de drie Egmonden’. Na aanvankelijk met twee omnibussen te
zijn begonnen werd deze dienst, met jaarlijkse financiële steun van
gemeente, provincie en staat, uitgebreid tot zes rijtuigen die
regelmatig tussen Egmond, Castricum en Alkmaar hobbelden. ‘Beter een
half ei dan een ledige dop’, aldus de Bad-Bode, die hiermee het gevoel
van de Egmonders treffend verwoordde.
Rond 1897 kwamen de treinplannen weer tot leven, o.a. bij de
‘Vereeniging tot bevordering van het Vreemdelingenverkeer Alcmaria’.
Onder leiding van voorzitter C. Bosman begint deze Alkmaarse vereniging
een serieuze lobby voor een stoomtramverbinding, hierin gesteund door
haar zustervereniging te Egmond aan Zee. De keuze voor een tram in
plaats van een trein valt eenvoudig te verklaren door het feit dat een
tram aan veel minder eisen hoefde te voldoen. Verder is het verschil
puur een technisch verhaal, dat voornamelijk wordt bepaald door de
manier waarop de wielen met het spoor zijn ‘verbonden’.
Tegelijkertijd was er nòg een consortium, onder leiding van een heer
Schippers, bezig om soortgelijke plannen te realiseren en al deze
enthousiaste pogingen bereikten ook de lokale en landelijke politiek. Op
13 juli 1898 verleende de gemeenteraad concessie aan zowel Alcmaria als
het consortium Schippers voor een stoomtramverbinding tussen Egmond aan
Zee en Alkmaar. De definitieve doorbraak kwam een maand later, toen
beide groepen besloten de krachten te bundelen en hun plannen te
verenigen. Tevens werd besloten om de reeds door Alcmaria ontworpen
plannen, die ook een traject naar Bergen bevatten, te volgen en vol
goede moed begonnen ze in het nieuwe jaar aan het werven van fondsen.
Dit bleek toch een groter probleem dan aanvankelijk werd aangenomen en
pas in 1901 was ook de landelijke politiek volledig overtuigd van het
nut van het tramtraject naar Egmond aan Zee. Op 1 mei van dat jaar
besloot de regering een renteloos voorschot toe te kennen ten behoeve
van de aanleg van een stoomtramweg van Egmond aan Zee, via Alkmaar naar
Bergen. Voorwaarde was wel dat de groep plannenmakers een N.V. vormde en
die werd dan ook op 20 december 1901 opgericht onder de naam:
Stoomtramwegmaatschappij Egmond-Alkmaar-Bergen (EAB), waarvan de
heer Bosman voorzitter werd. Met de provincie Noord-Holland als
aandeelhoudster voor de helft van het kapitaal volgden al snel de
gemeenten Alkmaar en Bergen, die voor respectievelijk 30.000 en 40.000
gulden renteloze voorschotten verstrekten. Egmond deed mee voor 2.000
gulden.
Hoewel je zou verwachten dat hiermee de plannen in een stroomversnelling
kwamen, gebeurde er vervolgens weinig tot niets. In de Bad-Bode van juli
1903 viel te lezen dat de regering haar goedkeuring had gegeven aan het
wetsontwerp tot onteigening ten behoeve van onze spoorweg, maar erg veel
vaart zat er verder niet in. Op 15 april vermeldde de Bad-Bode: “We
schrijven nu 1904, en wat zijn wij in die drie jaren vooruit gegaan?”
Volgens het artikel werd er weliswaar af en toe een greppel gegraven (waarbij
met verheugd gezicht werd gezegd: “Dat is voor den spoor!”), maar
dat deze greppels enkele weken later door de landeigenaren maar weer
werden gedicht ‘omdat het vee er last van heeft..’ Zo werd de
berichtgeving in dat jaar gekenmerkt door moedeloosheid. De Egmonders
gaven de hoop bijna op en het leek er even op dat het spoor er nooit zou
gaan komen, tot eind 1904 de werkzaamheden eindelijk serieus aanvingen.

Omdat de entree van Egmond aan Zee in niets leek op
de entree zoals we die nu kennen - de zandweg slingerde zich van de Hoef,
tussen de duinen door, naar het nog steeds bestaande tolhuis – moesten
er grote hoeveelheden zand afgegraven worden om ruimte te maken voor de
spoorlijn. Ook werd de huidige Egmonderstraatweg flink onder handen
genomen en was het een tijd lang weer een mul zandpad, dit tot groot
ongenoegen van de Egmonders die hun karren er nauwelijks doorheen kregen.
Begin 1905 was de weg echter klaar: behoorlijk verlaagd (op het hoogste
punt wel 1,60m) en flink verbreed, zodat het spoor vlak naast de rijweg
kon lopen.
Ingenieur
A.G. den Boestaard had de bestekken inmiddels afgemaakt en het werk werd
aanbesteed. In Egmond aan Zee bouwde aannemer Hartog uit Alkmaar op de
rand van het dorp, op de huidige hoek van de Voorstraat en de Pieter
Schotsmanstraat, een stationsgebouw, locomotiefloods, rijtuigenloods en
kolenloods. De spoorlijn volgde dus zoals gezegd de huidige
Egmonderstraatweg waarna ze de (huidige Oude - ) Egmonderstraatweg
verliet en het huidige traject van de Nieuwe Egmonderstraatweg volgde.
Vlak na Rustenburg splitste de lijn zich kort bij de halte Egmond aan
den Hoef. Hier werd een abri geplaatst en was er ruimte voor de
opstelling van goederenwagons.
Over de huidige Lamoraalweg kwam het spoor weer samen en vervolgde ze
haar weg dwars door de huidige jongerenbunker en skatebaan, richting
Egmondermeer. Tot aan de kalkovens liep het spoor parallel aan de
Hoevervaart, waarna ze via een hoge brug de vaart overstak en vervolgens
de dijk van de Bovenpolder op ging. Ter hoogte van de huidige restanten
van de Visscherijmolen werd een tweede, lagere brug gebruikt om de
Molentocht over te steken. Even verderop volgde het spoor de Meerweg
alwaar de toenmalige stadsgrens van Alkmaar werd gepasseerd. Op deze
grens lag de halte Egmondermeer, feitelijk een fictieve halte waar pas
in 1914 een in Alkmaar overbodig geworden abri werd geplaatst. Voor die
tijd hoefde je maar je hand op te steken en de tram stopte voor je, iets
wat je je tegenwoordig nauwelijks meer voor kunt stellen.
Na aansluiting op de oude Hoeverweg, reed de tram via de huidige
crossbaan achter het Sportpaleis Alkmaar de stad binnen om met een grote
bocht aan te komen bij het station. In die tijd arriveerden alle treinen
nog vóór het station, dus ook de tramlijn naar Egmond en Bergen. Pas na
het dempen van de achter het station liggende spoorhaven (in 1912) werd
op de vrijgekomen ruimte een nieuw perron gebouwd voor de stoomtrams
naar Egmond, Bergen en ook Schagen via Warmenhuizen als derde bestemming.
De Hollandsche IJzeren Spoorweg Maatschappij (de H.IJ.S.M., later H.S.M.
- voorloper van de N.S.), zou de Egmondse tramlijn gaan exploiteren en
stelde lokaalspoorlocomotieven uit haar ‘dierenserie’ beschikbaar voor
het traject Egmond-Alkmaar-Bergen. Dit waren twee-assige
tenderlocomotieven van 22,5 ton, in 1887 gebouwd door A. Borsig
Lokomotivbau AG te Berlijn-Tegel. De locomotieven 149 ‘Fret’ en 181
‘Haas’ waren aan Egmond toegewezen, later kwam 178 ‘Ezel’ in Alkmaar als
reservemachine in depot.

De opening van de tramlijn zou begin juli 1905
plaatsvinden en de grootste initiatiefnemer, vereniging Alcmaria, was al
maanden van te voren bezig met het plannen van de omlijstende
feestelijkheden. En ze hadden flink uitgepakt: Op maandag een nationale
wielerwedstrijd in de Hout, twee dagen lentekermis op het Doelenveld en
afsluitend een groots bloemencorso. Toen het echter eindelijk zover was,
bleek dat Alcmaria beter op tijd klaar was dan de tram, die nog een paar
weken op zich zou laten wachten.. Toch werd besloten de feestelijkheden
door te laten gaan en zo gebeurde het dat in Alkmaar drie weken te vroeg
de opening van de trambaan werd gevierd.
Op donderdag 21 juli 1905, aan de vooravond van de uiteindelijke
officiële opening, bereidde de bevolking van de Egmonden zich al
feestend voor. ‘De schoone slaapster in het bosch is heden gewekt door
den stoomfluit. Nieuw leven zal er nu komen in onze streek en daarmee
zal gepaard gaan toeneming van welvaart’, zo schreef de Alkmaarsche
Courant. De Bad-Bode deed er zelfs nog een schepje bovenop: “Egmond en
Wladiwostok, Noordzee en Gele Zee, ze zijn thans verbonden met alle
plaatsen, die er tusschen deze twee eindpunten gelegen zijn.”
In Egmond aan den Hoef werd een heel programma afgewerkt en werd zelfs
een Tiroler damesgroep gepresenteerd, voorstellende ‘Egmond aangesloten
bij het wereldnet’. Toen kwam het bericht dat er een ernstig ongeluk was
gebeurd met de nieuwe tram en dat er zelfs een dodelijk slachtoffer was
gevallen. Het verdere programma en de fakkeltocht werden afgelast en
diep onder de indruk van de tragische gebeurtenis keerde men huiswaarts.
Wat was er precies gebeurd?
Omdat
in Alkmaar nog geen plaats was om het materieel voor de nieuwe spoorlijn
te stallen, was besloten dit voorlopig in Egmond aan Zee onder te
brengen. Om die reden, en wellicht om nog een laatste keer het traject
te verkennen voor de grote opening, reed die donderdagavond locomotief
HSM181 ‘Haas’ met twee wagons van Alkmaar naar Egmond aan Zee. Aan boord
waren machinist J.A. Heyningen, stoker P.B. Holzmann en HSM-opzichter
G.P. Nauwen. Vlak voor het station sloeg het noodlot toe en bij het
passeren van de wisseltong ontspoorde en kantelde de tram. Machinist
Heyningen kwam daarbij onder de locomotief terecht en overleed ter
plaatse. Hoewel eerste kranten berichtten over slechts één dode,
overleed ook opzichter Nauwen enige dagen later alsnog aan zijn
verwondingen. Stoker Holzmann liep eveneens ernstige brandwonden op,
maar herstelde hier gelukkig volledig van. Onderzoek toonde later aan
dat de locomotief ontspoord was doordat (waarschijnlijk) kwajongens
steentjes tussen de wisseltong hadden gelegd.
De volgende ochtend was er dan toch eindelijk de lang verwachte
officiële opening. Om kwart voor elf zetten in Alkmaar de, in allerijl
uit Hoorn geleende, HSM-loc 173 ‘Zwaluw’ en haar drie wagons zich in
beweging. Aan boord een bont gezelschap van hoogwaardigheidsbekleders:
De Commissaris der Koningin, leden van Gedeputeerde Staten, inspecteurs
van de spoorwegen, loco-burgemeester de Wit van Alkmaar, burgemeester
Pranger van Egmond-Binnen en Egmond aan den Hoef, burgemeester van
Rheenen van Bergen, vertegenwoordigers van het tramcomité en tal van
andere gasten. Allen zaten comfortabel in de keurige wagons, die
voorzien waren van 20 zitplaatsen in de tweede klas en 12 in de eerste.
Onderweg door het polderlandschap kwamen enkele mensen hun huizen
uitgelopen met grote ogen van verbazing. Hij was er eindelijk echt, de
stoomtram!
Omstreeks
kwart voor twaalf kwam de trein in Egmond aan den Hoef aan, waar het bij
de halte zwart zag van de mensen. ‘Lamoraal van Egmond’ speelde
opgewekte fanfaremuziek en de bomen waren versierd met slingers van
rozen en andere bloemen. Burgemeester Pranger en tramcomité-voorzitter
Bosman hielden korte toespraken waarin de hoop uitgesproken werd dat de
tram uitstekende resultaten op zou gaan leveren voor de bloei van de
gemeente. Na een feestdronk in het versierde café de Drie Egmonden
vertrok het gezelschap weer en nam de trein hen mee naar Egmond aan Zee,
alwaar de vlaggen vrolijk wapperden.
In het eens zo rustige vissersdorp had iedereen zich verzameld rond het
station. (De Alkmaarsche Courant berichtte dat ‘vooral de oude, bebaarde
zeerobben opvielen’.) Ter plaatse werd het station bezichtigd en kreeg
het uitgestalde materieel een inspectie. Enkele gasten wilden graag nog
een kijkje nemen bij de zee, maar hier was helaas geen tijd meer voor.
Met grote snelheid werd weer terug naar Alkmaar gereden, waarna het
gezelschap doorreed naar Bergen, waar talrijke sprekers het woord
voerden en waar voorzitter Bosman de spoorlijn officieel geopend
verklaarde.
Ter gelegenheid van de opening en bijbehorende
feestelijkheden werd een speciale prentbriefkaart gemaakt, die bij
nadere inspectie hier zeker het vermelden waard is. Boven de kop ‘Groot
feest in Egmond aan Zee’ kun je op de afbeelding een tram zien rijden
voor de Prins Hendrikstichting langs, over een dubbel spoor. Het betreft
hier een afbeelding die door fotograaf van der Aa met een hedendaags
woord ‘ge-photoshopped’ is. De tram op de afbeelding is namelijk loc 10
‘Schermer’, twee jaar eerder gefotografeerd bij Stompetoren. Ook het
dubbele spoor behoort in die foto thuis, Egmond had immers helemaal geen
dubbel spoor. Onze spoorlijn liep ook helemaal niet voor de Prins
Hendrikstichting langs en de feestelijk geklede mensen horen, gezien hun
afmetingen ten opzichte van de rest, ook niet in dit plaatje thuis. Van
der Aa was een creatieve fotograaf en zijn tijd zeer ver vooruit!
.jpg) |
.jpg) |
|
De bewerkte briefkaart door Van der Aa |
De originele foto uit Stompetoren |
De spoorlijn was vooral in het begin een groot succes
en dat blijkt bijvoorbeeld uit een, door een Amsterdammer ingezonden,
brief die al de woensdag na de opening in de Alkmaarsche Courant
verscheen:
“Wil men het badplaatsje Egmond vergelijken met Scheveningen of
Zandvoort dan zou men de laatste kunnen noemen ‘mondaine vrouwen in
rijpe schoonheid’ en daarnaast Egmond ‘een dartel blozend bakvisje met
losse krullen en nog naïeve, onhandige bewegingen’. Hier komt men om de
duinen, het strand en de zee. Een locomotief met zes volle wagens kwam
omstreeks vijf uur aan en die geheele lading wandelde naar het strand.
En toch is dit strand zoo groot dat er honderden kunnen wandelen zonder
dat men van ‘vol’ kan spreken. Toen er weer een trein naar Alkmaar ging,
deed heel Egmond den terugkerenden bezoekers uitgeleide en aan het
station in Alkmaar was het even druk van nieuwsgierigen. Er zal van deze
tram een druk gebruik worden gemaakt.”
De reistijd voor de 8,19 kilometer van Egmond naar Alkmaar bedroeg 27
minuten en er reden dagelijks acht trams. De eerste tram verliet, op
speciaal verzoek van het V.V.V. van Egmond, al om 06:11 uur ’s ochtends
het perron in Egmond aan Zee om op tijd in Alkmaar aan te komen en zo
aan te sluiten op de eerste trein die vanuit Alkmaar verder het land in
reed. Vanaf 1907 werd het ‘Vereenvoudigd Lokaal Spoorwegreglement’ op de
EAB-lijnen van toepassing verklaard en kon het traject iets sneller
gereden worden. Voor de locomotieven was deze nieuwe snelheid van 35
km/u geen probleem omdat ze toch al van het lokaalspoortype waren. De
reis duurde toen twintig minuten en er reden toen dertien trams per dag.
De prijzen voor de gehele rit Egmond-Alkmaar bedroegen ongeveer 30 cent
(eerste klasse) en 20 cent (tweede klasse).
.jpg)
Over de jaren die volgden kunnen we kort zijn. In
1918 werd de complete lijn Egmond-Alkmaar-Bergen genaast (zich
toegeëigend) door de H.S.M. en de jaren ’20 lieten voor het eerst sterk
teruglopende passagiersaantallen zien. In 1895 was de eerste automobiel
in Nederland verschenen en in het eerste kwart van de twintigste eeuw
begon dit ‘lelijke, naar benzine stinkende’ voertuig snel terrein te
winnen op de stoommachines. Omdat in de jaren ’20 veel wegen werden
verhard rezen de vrachtauto- en busdiensten de pan uit. Autobusdienst
Egmond en Omstreken, die haar garage had op Prins Hendrikstraat 9, reed
vanaf de jaren ’30 op Alkmaar en zij was niet de enige. Na verloop van
tijd nam de Nederlandsche Autocar Onderneming (N.A.C.O.) al deze kleine
diensten over en werd zo de grote concurrent van de tram. Vanaf de
zomerdienst van 1933 liet de H.S.M. (inmiddels samenwerkend met andere
spoorwegexploitant S.S. onder de naam N.S.), om de exploitatietekorten
te drukken, naast de stoomtrams ook motortrams naar Egmond aan Zee
rijden, maar het mocht allemaal niet meer baten. De tram was ingehaald
door de techniek..
Toen
in 1934 duidelijk werd dat de lijn Egmond-Alkmaar haar langste tijd had
gehad, werden er nog vergeefse pogingen gedaan opheffing van de lijn te
voorkomen. Er werd weer eens een comité opgericht (dit maal door een
heer Rike uit Egmond aan Zee) dat met steun van de Egmondse bevolking en
de V.V.V. een vurig pleidooi tot behoud van de tramlijn hield aan het
adres van de minister van Waterstaat. Maar noch de uiteenzetting hoezeer
Egmond was gegroeid, noch een schets van de funeste gevolgen die
opheffing van de lijn tot gevolg zouden hebben, konden de minister
bewegen zijn steun aan behoud van ‘het Spoortje’, zoals de tramlijn in
de volksmond was gaan heten, te geven. Met een jaarlijks verlies van
ruim 50.000,- gulden was er geen sprake meer van een rendabele lijn en
zo werd onze tramlijn slachtoffer van de autobusconcurrentie en de toen
heersende crisis.
Egmond had het in die jaren sowieso zwaar te verduren en werd door de
crisis hard getroffen. Nadat eerder al het postkantoor tot hulpkantoor
was gedegradeerd en de kustwacht was opgeheven, zat de gemeente nog
steeds met grote tekorten en was dan ook niet in staat enige financiële
tegemoetkoming aan te bieden om de tram te redden. Egmond was door de
grote werkloosheid weer op rijkshulp aangewezen en het rijk verkoos dan
ook de financiële steun aan te wenden om het wegennet te verbeteren. De
Herenweg tussen Castricum en Bergen werd eindelijk geasfalteerd, de
Hoeverweg werd vernieuwd en de Zeeweg naar Heiloo werd aangelegd. Ook
waren er plannen om de Egmonderstraatweg te vernieuwen. Voor de tram was
geen geld en in de zomer van 1934 werd besloten de lijn per 7 oktober
van dat jaar op te heffen.
.jpg)
Op zaterdagavond 6 oktober, om 22:49 uur, verzamelde
een 25-tal passagiers zich op het perron van Alkmaar om de laatste rit
mee te maken. Dit keer geen hoogwaardigheidsbekleders, maar een
handjevol N.S. officials en een groepje journalisten toonden
belangstelling voor de tragische gebeurtenis. Machinist Stipkes, die
samen met zijn leerling Willekes jarenlang deze tram gereden had, was de
enige die de avond glans gaf door vuurwerkklappers op de rails te leggen.
Ook had hij met grote witte letters een laatste groet aan de Egmonders
op zijn locomotief geschilderd: “MIJN LAATSTE GROET AAN EGMONS PUBLIEK”.
De letters ‘S’ stonden op z’n kop en de letter ‘D’ was door ruimtegebrek
uit ‘Egmonds’ weggelaten, maar de bedoeling was goed en hij heeft menig
Egmonder met zijn boodschap geraakt.
Nadat in de Hoef nog een tiental belangstellenden was ingestapt, reed de
tram voor het laatst naar het station in Egmond aan Zee, waar de
locomotief met een schok tot stilstand kwam. Tot grote vreugde van de
reizigers was de belangstelling hier groot. Hoe laat en hoe donker het
ook geweest mocht zijn, bij het station waren honderden Derpers aanwezig
om hun blijk van medeleven en belangstelling te tonen. Nadat de
chefmachinist een doos sigaren in ontvangst had genomen, hem aangeboden
door de viskopers die geregeld van de tramdienst gebruik hadden gemaakt,
stapten de passagiers allemaal uit en werd namens ‘het comité ter behoud
van de tram’ een grote grafkrans aan de locomotief gehangen. Op de witte
linten aan de krans stond het volgende gedrukt: “Rust zacht, helaas te
vroeg ontslapen vriend, de hope op een spoedig aardsch weerzien, doet
ons leven.”
In een toespraak verhaalde comitévoorzitter Rike over de vreugde die de
spoorlijn Egmond had gegeven en de economische vooruitgang die sindsdien
was geboekt. Uit naam van de hele Egmondse bevolking bedankte hij de
medewerkers van de HSM / NS voor de ‘welwillende wijze en
hulpvaardigheid waarop zij hun taak ten gerieve van het reizend publiek
hadden vervuld’. Hij besloot met de woorden: “En thans nemen wij
afscheid van ‘het Spoortje’. Het is op het veld van eer en in het harnas
gestorven, verdreven door een ander heer, de autobus..” waarna hij de
tekst op de grafkrans herhaalde.

De uitgesproken woorden maakten een ongekend
enthousiasme los bij de aanwezigen en het lukte de passagiers met veel
moeite om de tram weer te bereiken. Toen bleek dat het comité de
terugreis ook mee wilde maken, waren de Egmonders helemaal niet meer te
houden en namen de tram tot de laatste plaats in beslag om – zonder
kaartje – de laatste rit naar Egmond aan den Hoef mee te maken. Lang is
de tram nog nagewuifd en velen renden of fietsten luid bellend met de
tram mee.
Ook in Egmond aan den Hoef was inmiddels het besef doorgedrongen dat er
iets bijzonders aan de hand was. Velen verdrongen zich op het kleine
stationnetje rond de tram om, ‘met de kop door de roiten’, hangend uit
de portierramen gefotografeerd te worden. Het was een gedrang en gejoel
van jewelste waaraan pas een einde kwam toen een fluitsignaal van de
machinist klonk. Wie niet uitstapte zou meegenomen worden naar de
Egmondermeer. Ook nu werd de voorgoed verdwijnende tram langdurig door
wuivende Egmonders nageschreeuwd, maar de machinist zette nu de vaart
erin. In de Egmondermeer werd nog gestopt om een foto te maken, maar
zelfs de gillende stoomfluit van de locomotief kreeg hier niemand het
bed uit.
Tegen 12 uur s’nachts stond de tram weer in Alkmaar op perron 3, de
laatste tocht volbracht. Hier was alleen nog belangstelling van de
aanwezige spoorwegmedewerkers. Er werden nog wat foto’s gemaakt,
allemaal in scène gezet, waarop de machinist met de krans in zijn hand
de passagiers toesprak, waarna de locomotief werd losgemaakt om van haar
welverdiende rust te genieten. Korte tijd later werden de sporen
verwijderd en de baan verkocht, waarmee de geschiedenis van de lijn
Egmond-Alkmaar (Alkmaar-Bergen aan Zee zou nog tot 1955 blijven rijden)
voorgoed eindigde.
Tot slot een kleine reis langs het oude tramtraject
om de vraag te beantwoorden of er nog iets terug te vinden is van dit
stukje Egmondse historie. Allereerst is daar natuurlijk het
stationsgebouw in Egmond aan Zee, waarin anno 2009 de sportzaak van Arie
Hendrik Visser is gevestigd. Op het emplacement, recht tegenover het
tolhuis, staan inmiddels woonhuizen, maar het station zelf is uiterlijk
nauwelijks veranderd. Het is dan ook moeilijk te begrijpen dat dit
unieke pand niet op de gemeentelijke monumentenlijst voorkomt.
.jpg)
Verdere overblijfselen van de tramlijn zijn te vinden
in de Egmondermeer. Vooral vanuit de lucht is het oude traject
moeiteloos te volgen, maar ook op de grond zijn er nog genoeg stille
getuigen. Als je de Lamoraalweg in een denkbeeldige rechte lijn
oostwaarts zou volgen en de randweg zou oversteken, is in het
polderlandschap parallel aan de Hoevervaart, duidelijk de 10 tot 15
meter brede strook land te herkennen waarop de trambaan ooit heeft
gelegen. Bij de boerderij aan het einde van de Brededijk liggen nog
steeds de hoge bruggenhoofden van de brug waarmee de Hoevervaart werd
overgestoken. Opvallend hier is de nog aanwezige onderdoorloop, waarmee
trekschuitjagers onder de brug door konden.
Ook verderop, bij de restanten van de Visscherijmolen
langs de Meerweg, liggen nog steeds de brughoofden van de oude trambrug
aan weerszijden van de Molentocht. Omdat dit geen vaarwater was maar
toevoer voor de molen, hoefde de brug niet zo hoog te zijn als die over
de Hoevervaart. Verder is tot aan de Hoeverweg de 10 meter brede strook
land parallel aan de Meerweg te herkennen als het traject waarover het
ijzeren paard ooit liep. Het zijn nu ideale weides geworden voor de
echte paarden.
Je kunt concluderen dat de tramlijn Egmond absoluut op de kaart zette en
in dat opzicht een goede investering is geweest. Het bracht het toerisme,
wat op kleine schaal reeds bestond, in een veel grotere schaal op gang
en daar profiteerden de latere busdiensten weer van. Hotels schoten in
Egmond aan Zee als paddestoelen uit de grond en boden de dagjesmensen
overnachtingsmogelijkheden, waardoor langere verblijven een
aantrekkelijke optie werden. Egmond werd als badplaats gelanceerd en
haar inwoners genoten van de bescheiden welvaart die dit met zich
meebracht. En dit alles was grotendeels te danken aan de V.V.V.’s
Alcmaria en Egmond en de doortastendheid van een kleine groep mensen met
visie die de potentie van Egmond met haar strand, zee en duinen al in
een vroeg stadium onderkenden.
Bronnen:
-
De Egmondsche Bad-Bode, de uitgave van de
Vereeniging tot bevordering van het Vreemdelingenverkeer te Egmond aan
Zee.
-
De Alkmaarsche Courant, Schager Courant en
Heldersche Courant / Regionaal Archief, Alkmaar
-
Archief Nederlandsche Spoorwegen / Utrechts Archief,
Utrecht
-
Poldersporen, door Michiel Hooijberg (www.poldersporen.nl)
|