Welkom
Nieuws
De Egmonden
Over de Stichting
Huys Egmont
Geestgronden
Activiteiten
Slotfestijn
Archieven
Historisch Kadaster
Webshop
Links
Contact

Opgravingen in Egmond aan den Hoef 1933-1934


In April 1933 verwierf de provincie Noord-Holland in de gedaante van het Provinciaal Waterleidingbedrijf (P.W.N.) het eigendom van het duingebied bij Egmond en Castricum, met de bedoeling dat, wanneer het nodig zou zijn, aan deze gebieden water te onttrekken voor haar waterleidingbedrijf. Tevens wilde het P.W.N. het gebied beschikbaar maken voor iedereen die op gepaste wijze van de natuur wilde genieten. Onder de nieuw verworven bezittingen behoorde ook een klein eiland, omgeven door een met waterplanten bezet moeras, naast het oude kerkje van Egmond aan den Hoef. Boven dat eiland stak een oude, gemetselde steenklomp enkele meters hoog uit en in het diepste gedeelte van het moeras bevond zich een moddersloot. Een groot gedeelte van het overige terrein was met riet en biezen begroeid en werd door de Egmondse bevolking gebruikt om daarin alles te lozen wat zij kwijt wilden. Volgens de overlevering zou hier eens het machtige slot van een der oudste en meest geziene adellijke geslachten hebben gestaan, het Slot van de heren (later de graven) van Egmond.

Na eerst als directeur van het Rijksbureau voor Drinkwatervoorziening, vervolgens als directeur van het P.W.N. en tenslotte als directeur van het Electriciteitsbedrijf der Provincie (P.E.N.) te hebben gewerkt, krijgt ingenieur Johannes van Oldenborgh (1875-1940) in 1933 het verzoek het moeras uit te diepen en te proberen de oude slotgracht weer in ere te herstellen. Een verzoek dat hij met grote instemming begroet.

Voorgeschiedenis

Voor een korte beschrijving van de historie van het Slot op den Hoef verwijs ik graag naar ons artikel over Egmond aan den Hoef. Hierin staat een en ander over de graven van Egmond en over het lot van het Slot. Minder bekend is wat er zich afspeelde nadat het Slot op 7 Juni 1573 door Sonoy en zijn troepen in brand wordt gestoken. Nadat Lamoraal II, een kleinzoon van Lamoraal I, wegens schulden de Egmonden in 1605 moet verlaten, gaat het Graafschap in 1607 in eigendom over aan de Staten van Holland, waarna het aan de Domeinen wordt gehecht. Vervolgens raakt het slot steeds meer in verval. Uit deze periode stammen nog diverse afbeeldingen en schilderijen.
 
Pas in 1722 koopt Gerard van Egmond van de Nijenburcht het Slot voor F. 11.200,- terug. Zijn zoon, Jan Egidius van Egmond, laat twee vervallen torens opmetselen en met spitse kappen dekken, waarop hij windvaantjes laat plaatsen. De zogenaamde Rentmeesterstoren werd ook in goede staat onderhouden, omdat zich hierin de klok en het uurwerk van de gemeente bevond. Als in 1798 het Slot in handen komt van Jacoba van Foreest wordt alles wat nog over was verkocht aan slopers, met uitzondering van de klokkentoren. Als de familie in 1832 weigert deze toren nog langer te onderhouden, laat de gemeente de klok en het uurwerk overbrengen naar de naastgelegen kapel, waarna in 1836 de toren grotendeels wordt afgebroken en verwijderd. Het gebied vervalt tot moeras en een klein brok metselwerk is honderd jaar lang het enige wat nog rest van het eens zo machtige Slot. Tot het gebied in 1933 in handen van de provincie komt en ingenieur Van Oldenborgh geïntrigeerd raakt door de historische waarde van deze bijzondere plek.

Paalresten en grondverkleuringen

In het kader van de werkverschaffing werd een groep mensen, voornamelijk Zaandammers, te werk gesteld die, naar mate het project vorderde, steeds enthousiaster werd. Allereerst werd het moeras uitgediept en drooggelegd, waarna dwars hier doorheen sleuven gegraven werden om de loop van de oorspronkelijke gracht aan te tonen. Hierbij stuitten de arbeiders op oud metselwerk dat het fundament van een dikke muur vormde. Uitgaande van dit brok metselwerk werd de rest van de fundamenten opgegraven en slaagden ze er tenslotte in de gehele buitenomtrek van het bouwwerk, inclusief enkele binnenmuren, bloot te leggen. Ook werden de jukken, die het oude bruggetje tussen het Slot en de kapel gedragen hadden, terug gevonden. Van Oldenborgh en zijn team werden echter volkomen verrast door de vondst van een ander bouwwerk op een tweede eilandje. Een onregelmatig, elliptische gevormde structuur wees op de aanwezigheid van een eerder bouwwerk, door Van Oldenborgh aangeduid met de naam Rondeel. Een unieke vondst omdat dit bouwwerk op geen enkele bekende afbeelding is terug te vinden.

Nadat ook de binnenruimte van het eigenlijke slot was uitgegraven, werd Van Oldenborgh opnieuw verrast. Op speciaal verzoek van dr. J.H. Holwerda en dr. W.C. Braat, directeur en conservator van het Rijksmuseum van Oudheden, werd de binnenruimte tot op bepaalde diepte ontgraven, waarbij verschillende paalresten werden aangetroffen. Deze paalresten van eikenhout verkeerden nog in een goede toestand. Vervolgens werd, onder toezicht van een ambtenaar van het Rijksmuseum voor Oudheden, de grond laag voor laag 'afgepeld', waarbij op bepaalde diepte duidelijke grondverkleuringen tevoorschijn kwamen in verschillende tinten, wijzende op bebouwing in minimaal zes (!) eerdere stadia. Bij de oudste verkleuringen werden zelf potscherven aangetroffen uit het begin van onze jaartelling.

Bouwkundige observaties

Van Oldenborgh viel van de ene verbazing in de andere en kon het dan ook niet nalaten enige bouwkundig-technische bijzonderheden te vermelden.

  • Het veelal ontbreken van rechte lijnen en zuivere rechthoeken in het metselwerk. Ook met het verband nam men het vroeger niet zo nauw, muren bleken koud tegen elkaar aangezet in plaats van vertand. Ook de onregelmatige vorm van het Rondeel wijst op een wiskundige onnauwkeurigheid.

  • Een merkwaardige tegenstelling hiermee vormt de aangetroffen, cilindrische put, waarin op het grondvlak een perfect gecentreerde, verticale, houten stang werd aangetroffen, met behulp waarvan de put verticaal opgemetseld was.

  • Over het algemeen waren de muren op staal gefundeerd, met uitzondering van de noordelijke poorttorens en de Rentmeesterstoren. Deze bleken gefundeerd op een roosterwerk van eikenbalken die bij opgraving nog gaaf en hard waren.

  • De gebruikte specie bestond uit een mengsel van zand en schelpkalk, die in de loop der jaren zo week geworden was dat de stenen veelal met de hand uit het metselwerk los te maken waren.

  • Bijzonder is ook het ontbreken van kelders of onderaardse kerkers.

Gevonden voorwerpen

Zeer groot was het aantal voorwerpen dat werd aangetroffen in de binnenruimte en de slotgracht. Grote hopen bakstenen (in diverse formaten, duidend op herbouw en eerdere restauraties) werden aangetroffen, evenals talrijke stukken natuursteen die als gevelversiering hadden gediend. Ook vermeldenswaardig is de vondst van twee zware, loden draken, die vermoedelijk als torenspits hebben gediend. Verder werden zeer grote hoeveelheden flessen en zogenaamde Jacoba-kannetjes gevonden en een groot aantal wapens, als lanspunten, hellebaarden, priemen, dolken, stenen kogels, ijzeren kogels, sleutels, kettingen, stijgbeugels en sporen, waarvan vooral de koperen voorwerpen de tand des tijds met succes hadden getrotseerd. Al deze vondsten werden gereinigd en roestvrij gemaakt, waarna ze tijdelijk in een schuurtje in de nabijheid van de fundamenten werden ondergebracht.

Afronding van de werkzaamheden

Nadat de fundamenten volledig blootgelegd waren ontstond de vraag wat hiermee te doen. Het lag volledig in de aard van de werkverschaffing om de opgraving weer dicht te gooien om het enkele jaren later, als nieuw werkverschaffings-project, weer opnieuw op te graven. Gelukkig kon Van Oldenborgh dit niet over zijn hart verkrijgen. Dankzij de medewerking van het Rijk, de Provincie en het P.W.N., werden de benodigde fondsen bij elkaar verkregen om de fundamenten weer op te trekken, hierbij zoveel mogelijk gebruikmakend van de originele bouwstenen.

    

Echter omdat er bij lange na niet genoeg stenen gevonden waren, besloot Van Oldenborgh het nog gave muurwerk intact te laten en hier bovenop een binnenwerk van beton aan te brengen, die hij vervolgens omkleedde met de originele bakstenen. De gehele constructie kreeg hierdoor nauwkeurig het tracé, de muurdikte en het aanzien van het oorspronkelijke werk. Helaas was, zelfs op deze manier werkend, de hoeveelheid oude losse stenen niet toereikend, waarna de firma Van Poelgeest te Oegstgeest nieuwe handvorm stenen heeft gebakken die qua maat ongeveer overeenkwamen met de originele. Met behulp van deze stenen zijn de fundamenten tot iets boven het maaiveld opgemetseld. Vervolgens zijn de binnenruimtes tot maaivelds-peil gevuld met aarde en zijn de beide eilanden door middel van loopbruggen met elkaar en met de vaste wal verbonden. Daarmee was, althans voorlopig, het werk voltooid.

'Met grooten lof'

Van Oldenborgh was uitermate tevreden met het hele project en kon slechts 'met grooten lof' spreken over de van alle kanten ondervonden medewerking: Het Departement, de Provincie, Gemeenten en de Nederlandsche Heidemaatschappij (die in de laatste fase grotendeels het toezicht en administratief beheer uit handen van het P.W.N. nam). Ook over de werklieden was hij vol lof. Het was een genot om te zien met hoeveel belangstelling zij meeleefden met iedere vondst en in elke nieuwe fase van voltooiing. De groep metselaars had zich zo bekwaamd in dit eigenaardige werk, dat Van Oldenborgh hemel en aarde bewogen heeft om ze te behouden toen hun normale werktijdperiode van zes weken erop zat. En hoewel dit volgens de voorschriften absoluut niet kon, is het uiteindelijk toch gebeurd.

    

Ambitieuze plannen

Toen de werkzaamheden afgerond waren en Van Oldenborgh op 23 December 1937 zijn bevindingen presenteerde voor een vergadering van het Koninklijk Instituut van Ingenieurs te 's Gravenhage, verhaalde hij vol enthousiasme over het project. Hij was blij dat hij er samen met de Provincie in geslaagd was de omgeving van het Slot 'veilig te stellen' voor de toekomst. De Provincie had de omliggende terreinen aangekocht, en de direct aangrenzende percelen werden voorzien van groenstroken om oprukkende, ontsierende bebouwing op afstand te houden. Een situatie die gelukkig nog steeds in stand wordt gehouden.

Wel presenteerde Van Oldenborgh in zijn 'onnooselheyt', zoals hij zelf zegt, een plan om het oude slot, of althans een gedeelte daarvan, weer op te trekken. Hij verhaalde over zijn droom om een rijke Amerikaan (hij dacht zelf aan een, naar de Nieuwe Wereld verhuisde, nakomeling van het geslacht Egmond) voor de zaak te interesseren en met behulp van diens Dollars een nieuw kasteel op te bouwen. Echter, een kleine berekening van de totale kosten overtuigde hem van de onhaalbaarheid van het plan, waarna hij zijn idealen reduceerde en zich tevreden stelde met de herbouw van een klein gedeelte. Van Oldenborgh liet architect C.W. Royaards zelfs tekeningen maken van een nieuw raadhuis, geprojecteerd op de oude slotfundamenten.

Tenslotte legde de ingenieur zijn plannen ook voor in archeologische kringen, waar hij keurig op zijn plaats werd gewezen en de plannen werden afgedaan als 'verfoeilijke ketterij' en 'het maken van een valsche antiquiteit'. Geschrokken van deze 'bedreiging der deskundigen' en van de wetenschap dat zelfs dit kleinere project enorm veel geld zou kosten, laat hij zijn ideeën voor wat ze zijn en besluit met de uitspraak dat hij meent dat 'verdere vormgeving van het Slot moet worden overgelaten aan de fantasie van de beschouwer..'

(Bron: 'De fundamenten van het Slot bij Egmond aan den Hoef', gepubliceerd in het weekblad 'De Ingenieur', 1938 no.24, geschreven door Johannes van Oldenborgh. Samengevat en aangevuld voor SHE door Martijn Mulder.)
 


WWWhistorischegmond.nl
 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


  Sitemap            Disclaimer            e-Mail webmaster © Stichting Historisch Egmond. Geadviseerde schermresolutie 1024x768.
Overname van gegevens alleen na overleg èn met verwijzing naar www.historischegmond.nl.
Oude ansichtkaarten met dank aan Foto Jonker.